Het Orgelhuis is een paradijs voor het muzikale brein

Bij het luisteren naar muziek draaien de frontale cortexgebieden BA44 en BA47 razendsnelle rekenprogramma’s af waarmee ze de losse tonen in de oorschelpen omtoveren tot een melodie. Dat gebeurt dus door het primitieve deel van onze hersenen – het reptielenbrein – in te schakelen dat een direct lijntje legt van de gehoorschors naar ons emotionele hersencentrum. Dat schrijft Inge Schilperoort in een recensie in het Psychologie Magazine over het boek ‘Ons muzikale brein’.

Ons brein gebruikt hiervoor een soort synthesiser met miljarden in het geheugen opgeslagen klanken die gemixt kunnen worden. Maar van het min of meer monotone gedreun en gekrijs dat er in Het Orgelhuis ten beste wordt gegeven kan ons brein niks swingends maken. Daarom wordt er gebruik gemaakt van soortgelijke geluiden die in ons geheugen zijn opgeslagen om er toch nog iets zinnigs van te maken. En dan horen we, door simpel wat langer aan een en dezelfde toon te worden blootgesteld, opeens een versterkt gekrijs.

Dus elke langdurige eentonige irriterende toon levert je al naar gelang de soort toon een zee van gepiep, gefluit, gekrijs en gebrom op.  Als je ervan wordt beschuldigd dat het tussen je oren zit, dan zit er een kern van waarheid in. Maar als het oorspronkelijke hinderlijke piepje er niet was geweest dan had je er mooi niks van tussen je oren gehoord. De daders zitten dus in elk Orgelhuis en jij staat tenslotte in de statistieken van mensen die lijden aan enge dingen zoals tinnitus of  hyperacusis.